Hij was weer weg.
Drie dagen nadat hij even leek terug te dobberen.
Alsof het niks was. Gewoon… wéér weg. Ik was nog niet eens bijgekomen van vier dagen in onbehagen te leven door volledig van de radar te verdwijnen met het idee dat hij het mogelijk definitief had opgegeven. Voor weken voelde ik dat ik ‘m aan het verliezen was.
Ik kon mijn zelfhaat niet meer onderdrukken en sloeg mijn hoofd nog maar een keer tegen de muur. Vast weer praktische redenen als een verloren telefoon ofzo. Maar dat boeide niet. Ik had last van iets anders. Waarom hield ik vast aan zoiets zinloos? Zoveel verspilde tijd en emotie.
Holding on for dear camp life, was mijn enige conclusie en antwoord aan vrienden die er ook niks van konden breien. Ik kon er niets anders van maken. Geen relatie, geen verliefdheid, en zelfs de term vriendschap vond ik al twijfelachtig. Het maakte me ook niet uit. Ik hoefde geen definitie, geen label, geen zekerheid of afbakening. We leefden op de uiteinden van elkaars spectrum in ongeveer alle facetten van het leven. Om nog maar te zwijgen over de moeizame communicatie door taalbarrière verzwaard met zijn onmogelijke accent en mijn onhandige social skills, en een sluimerende culture clash. Wat ons verbond was een intensieve tijd samenleven op een bevreemdende locatie in wildernis. Maar met hem ook anderen, dus misschien was dát het dan ook niet precies.
Ik bleef in verwarring.
Tot ik plots weer stuitte op de term liminaliteit.
Hm.
Was dát niet wat ons verbond?
~~~~
Liminaliteit komt van het Latijnse limes, dat ‘drempel’ betekent. Het is het tussengebied, de plek waar de wetten en mores van de ene, noch die van de andere kant heersen. Het oude is niet meer van toepassing, het nieuwe is nog niet gearriveerd en kan nog alle mogelijke vormen aannemen. Wie zich in een liminale periode of ruimte bevindt, is als het ware betwixt and between, zoals antropoloog Victor Turner schreef: hier, noch daar. Alles is mogelijk: goed, kwaad, hoop, angst, zelfverwezenlijking en ondergang. Het begrip liminaliteit komt oorspronkelijk uit de antropologie. Sinds enkele jaren passen politieke wetenschappers het toe voor de bestudering van crisissituaties en maatschappelijke transformaties.
We zaten allebei muurvast.
We konden niet terug, maar konden en wilden ook niet echt verder, zoals -in ieder geval ogenschijnlijk- de rest. En dus bleven we elkaar maar geregeld videobellend vervelen, omdat we dan in ieder geval het gevoel hadden dat het leven wat we ooit even hadden niet in het afvoerputje verdween, alsof het nooit bestaan had. Zodat we elkaar af en toe nog het gevoel konden geven dat we er weer even waren. Alsof het camp nog niet afgebroken was en het land niet allang bevroren was. Omdat het leven daar geen enkele overeenkomst heeft met het leven waar we ons nu doorheen probeerden te worstelen met iedere vezel die zich ertegen verzette.
Zijn tijd in camp was echter veel langer en significanter en het kwam impliciet nog wel eens aan bod. Hij leek zich moeizaam iets te kunnen herinneren uit de tijd ervoor. Niet als iemand die vergeetachtig is en zoekt naar een herinnering, maar als iemand die er emotioneel niet bij kan. Hij raakte zichtbaar van slag als ik vroeg naar dingen die plaats hadden gevonden vóór het leven in camp.
Dat hij van de radar verdween voelde als spinrag dat brak. Het was voor mij niet alleen een oppervlakkig gemis van hem met al onze onhandige gesprekken en teksten, maar vooral een liminale gruwel van besef dat je in een twilight zone hangt waar je niet hoort. Ik zat zonder het te beseffen in een virtuele white out. Ik realiseerde me dat ik weer mocht ronddolen net zo lang ik weer iets van een contour zou zien. Ik was zelf uit het camp vertrokken voordat alles onder een sneeuwlaag bedekt zou zijn, maar mijn zicht was nu hoe dan ook blanco.
Don’t burn the tent poles.
De eerste aanwijzing hoeft niet logisch te zijn, leerde ik gelukkig eerder al in een andere white out.