Was het irreëel, buitenproportioneel en hysterisch? Allicht. Want wat zou er nu concreet gebeuren als ik met terneergeslagen blik mijn bandje in zou moeten leveren? Feitelijk gezien helemaal niets. Dat wist ik best. En hoe hard ik die zin ook in mijn hoofd schreeuwde, het haalde niets uit. Onmogelijk was het om op het moment suprême af te haken. En bovenal, als ik zo overtuigd was van dat ik alles kan als ik het maar overtuigend genoeg wil en ik fysiek niet in de meest afgepeigerde staat verkeerde, wat stond ik hier dan nog te klunzen?

Met de kortsluiting in m’n hoofd buffelde ik op eigen wijze over de hindernis, door naar de volgende, waar ik als vanzelfsprekend ook faalde op de weinig uitdagende swing-in-het-net. De herkansing bracht me gelukkig naar mijn geliefde apenhang waar ik weer wat grip op de situatie kreeg. Met een boomstammetje op de ene schouder, een engel op de andere en een duivel in m’n hoofd struinde ik naar het finish-terrein, om daar de boomstam in mootjes te hakken. De laatste paar klim-meters. Ik wilde niet meer. Ik haatte alles. En dat alles was vooral mezelf. Wist ik eigenlijk wel hoeveel deelnemers, ondanks de hoeveelheid uitvallers, deze run wél moeiteloos wisten te halen? Ik presteerde blijkbaar tot de laatste centimeters van de run er nog een zooitje van te maken. Ondanks de in prima staat verkerende onderarmen gleed ik ook uit de losse lussen. Een mooie hindernis en eigenlijk goed te doen. Niet dat ik dat met mijn vertroebelde blik nog kon zien. Maar wat ik wel zag, was dat meisje voor me, die deze hindernis overwon. Dat was olie op het vuur! Wat zij kan, kan ik ook. Daar ging ik. Finish…

Ik geloofde het pas totdat mijn coaches zeiden dat ik echt klaar was. Zelfs in de finishtent keek ik nog even argwanend rond of er geen hindernis achter stond. Ik had het gehaald! Hell was over. 3:00:00 uur. De tijd die ik wilde halen en het bandje prijkte nog om mijn pols. Iedereen was blij dat ik het had gehaald, maar ik was vooral blij dat ik niet nog meer falende onderdelen hoefde te ondergaan. Timide en opgelucht dronk ik mijn bidon leeg.

De dagen erna beleefde ik in een lichte bedwelming, sluimerend gingen de uren voorbij. De extase bleef uit. Ik had de survival van Beltrum gehaald, maar de wijze waarop was nauwelijks iets om trots op te zijn. Na alle emoties die het menselijke spectrum rijk is, ervaren te hebben tijdens de wedstrijd was ik emotioneel leeggezogen, Zoveel commotie en sensaties… er was niets meer over. Moest ik mezelf wel survivalruns aandoen? Bleek die persisterende mindset die me juist zo functioneel had geleken in een wedstrijd niet juist tegen me te keren? Nog zo’n run en ik zou ter plekke hangend in een boomstam bezwijken aan een overdosis stresshormoon.

Het herstel ging boven verwachting voorspoedig, de fysieke pijn was minimaal en ik kan de gedachte niet onderdrukken dat ik misschien wel sterker dan ooit ben. Ik begrijp en beheers mijn lichaam dankzij de revalidatie zonder meer en weet iedere centimeter ervan te doorgronden. Je bent je eigen vijand, en ik heb de mijne in de hete tobbe van Beltrum achtergelaten. Er valt bij een volgende run niets meer te bewijzen, niets meer dan jezelf te beproeven bij een recreatieve zondagswedstrijd om te zien waar je staat, om vanuit daar de progressie in te zetten. De weken rond Beltrum waren een gruwel en een zegen, een mentale groeispurt waarin ik recalcitrant m’n beperkingen en begrenzingen heb afgetast…maar hee, je moet de eindstanden weten om het midden te kunnen bepalen.