Afijn. Beginnersfout. Uiteindelijk ging het om survivalrun Beltrum. Dinxperlo was maar de warming-up, het echte werk stond voor de deur, en daar had ik nu nog exact 3 weken voor. Vol moed pakte ik mijn voeding- en trainingsregime weer op. Op mijn deur plande ik mijn periodisering, met welke type training op welke dag en de laatste training op de survivalbaan overslaan omdat ie in mijn planning op 1 januari viel, behoorde niet tot de opties. Strikt hield ik me aan mijn voedingsplannen, zonder al te veel strubbeling kwam ik de kerst en jaarwisseling door en wist ik er nog een kilo af te schaven zonder krachtverlies. Secuur plande ik mijn rustdagen, waarin ik mij steeds meer verbaasde over hoe schrikwekkend groot de afstand geworden was tussen lichaam en geest tijdens de run van Dinxperlo. Wanneer was dat gebeurd? Verbazing, omdat ik het afgelopen jaar juist zo goed was geworden in het samensmelten van deze twee. Na een onoverbrugbare kloof die zich had gemanifesteerd tijdens en rond de ongelukken waarin ik met regelmaat tot wanhoop gedreven werd, werd het gedurende de autodidactische revalidatie inmiddels al een aardige symbiose, waarin ik feilloos aanvoelde wat het akkefietje van de dag was. Het was een vereiste om alle signalen en reacties van lichaam op te pikken om mijn eigen revalidatie te kunnen doen en nog voordat de pijn zich ergens manifesteerde kon ik inmiddels al bespeuren dat een van m’n knieën was ontspoord, het bekken zich scheef trok, de psoas te veel onder spanning stond, m’n schouder z’n stabiliteit weer verloor, of dat mijn lichaam zich in een totale staat van ontsteking bevond en bovendien kon ik hier adequaat naar handelen. Samenwerken. Goed geïntegreerd. Rock-solid, we waren een team. Hoe kon het dan zo zijn dat dit als sneeuw voor de zon verdween tijdens een wedstrijd?

Het bleef kwakkelen, in deze weken. Ik deed mijn best om lichaam & geest weer te verzoenen, maar het bleef een duel. Ik gaf lichaam de aandacht en barmhartigheid die het nodig had, maar duwde het tegelijkertijd naar de rand van de trainingsafgrond en rekte de grenzen nog wat op. De dagen voor Beltrum heb ik, om de werkuren heen, praktisch in zijn geheel slapend doorgebracht.

6 januari 2013. Ik had die nacht niet zo veel en vast geslapen door tergende zenuwen als ik gehoopt had, maar ik had een aardige buffer opgebouwd de dagen ervoor en de spanning gaf me genoeg energie. Ik had alles tot in de puntjes voorbereid; stevig mijn schouder in laten tapen door de fysio, al was het maar om in ieder geval het gevoel van stabiliteit te creëren. Ik had de juiste koolhydraten-eiwitten verhouding bij mijn ontbijt en ik had m’n koolhydraten-eiwitbroodjes gebakken voor onderweg, zodat ik uiterlijk tot 2 uur voor de run nog energie kon innemen zonder last van insuline-pieken tijdens de run te krijgen die allerhande hinder kunnen veroorzaken. Ik kon ‘sochtends zo in mijn legging glijden die ik netjes de avond ervoor had klaargelegd – hoewel dat al een eerste hindernis op zich is met een in vaseline ingesmeerd lichaam. Ik had m’n bidons zorgvuldig gevuld met aminozuren en mineralen en m’n eigen voedingsbevoorrading voor tijdens de run nauwkeurig uitgekiend, om mee te geven aan mijn meefietsende coaches…kortom, mijn nutriëntentiming stond als een huis, de voorbereiding liep op rolletjes en zo liep de run ook.

Het liep lekker, deze survivalrun van Beltrum. Op de gierende zenuwen na, die me de lol van het hele gebeuren er nauwelijks nog van in lieten zien, was alles goed. Althans fysiek. Fysiek liep de run perfect. In de gehele run had ik een te verwaarlozen last van verzuring en hoewel de honderden meters door de modderige akkers, waar je soms tot in je knieën wegzakte en je je best deed om je schoen niet te verliezen, een aanslag waren op mijn bekkenbanden lieten mijn blessures mij aardig met rust. Of de verdoving was dusdanig door de overdosis endorfine dat ik er niet merkbaar last van had, wat eveneens prima was.

De hindernissen verliepen, op een enkele na tegen het einde van de run, ook voorspoedig. Ik had geen enkele aanwijzing voor zorgen, en toch was de paniek immens. Ofschoon ik me het laatste jaar ook vaktechnisch goed ontwikkeld heb op looptechniek, classificeer ik mezelf nog steeds als een matige loper, maar nu vond ik de renafstanden bijna subliem. Precies lang genoeg om lekker even in de flow te rennen, genietend van de zuurstof en de bossen…totdat daar weer een hindernis opdoemde. Totaal onhoudbare paniek. Angst om het niet te kunnen. Om het rode bandje in te moeten leveren. Om de run niet meer te kunnen halen. Om toe te moeten geven dat mijn lichaam nog helemaal niet zo ver is als dat ik wenste dat het was. Om dat hele gevoel van falen te moeten ervaren. Om te moeten beseffen dat hoe leuk ik survival ook vond, het niet mijn sport was. En trouwens, waarom vond ik het ook al weer zo leuk?

 

Lees meer: Deel 4